Categorie: Inhoudstoffen – Constituents

Gelderse roos – Medicinaal gebruik

Viburnum opulus - Gelderse roos, bessenVan de Gelderse roos wordt met name de schors medicinaal toegepast, en de Engelse benaming daarvan, Cramp bark, verraadt al enigszins het gebruik.

Inhoudstoffen en eigenschappen

De belangrijkste inhoudstoffen van de Viburnum opulus zijn viburnine, valeriaanzuur, organische zuren, harsen en looistoffen.
Het kruid, dat gebruikt wordt onder vorm van een tinctuur, een decoct, of als vloeibaar extract, heeft als belangrijkste eigenschappen zijn spierrelaxerende, kalmerende en samentrekkende werking.

Toepassing

De werking van de Gelderse roos gelijkt erg op die van de verwante Viburnum prunifolium (Amerikaanse sneeuwbal), maar is meer algemeen spierrelaxerend. De Amerikaanse sneeuwbal, die overigens in België enkel nog op voorschrift en in voorgedoseerde vorm mag worden toegepast, zou meer effectief zijn op de vrouwelijke organen in het klein bekken.
Toch is ook de Gelderse roos vooral bekend als een kruid dat wordt toegepast bij allerhande vrouwenkwalen: Het ontspant de spieren van de baarmoeder, en wordt daarom wel eens toegepast bij dreigend miskraam (steeds onder medische begeleiding!), maar ook bij menstruele krampen (dysmenorrhee, pijnlijke maandstonden). De samentrekkende eigenschappen van de schors van de Gelderse roos vinden hun toepassingen bij te overvloedige maandstonden (hypermenorrhee) en bij bloedingen in het post-partum (na de bevalling) of in de menopauze (natuurlijk enkel wanneer een cancereuze oorzaak van de bloedingen is uitgesloten).
Maar ook bij ‘krampachtige’ problemen in het maagdarmstelsel kan Gelderse roos nuttig zijn, zoals bij maagkrampen, spastisch colon, darmkolieken, obstipatie… vooral wanneer stress hierbij mede ten grondslag ligt.
Het kruid is ook hypotensief en bloedvatverwijdend en kan worden toegepast bij hoge bloeddruk, bij bepaalde vormen van migraine.
De inhoudstof viburnine is cardiotonisch (‘hartversterkend’).
De ontkrampende werking op de luchtwegen kan het tot een ondersteunend kruid maken bij de behandeling van astma.

Voorzorgen, waarschuwingen

Giftigheid: In normale dosering is de schors van de Gelderse roos niet giftig.
De bessen geven, indien rauw gegeten, aanleiding tot braken en diarree, maar zijn gekookt ongevaarlijk.
Contra-indicaties: Het kruid is niet aangewezen bij mensen met een lage bloeddruk. Het gebruik is afgeraden tijdens borstvoeding, en mag tijdens de zwangerschap enkel worden toegestaan mits deskundige begeleiding.

De sneeuwklokjes bloeien nu echt!

Sneeuwklokje - Galanthus nivalis. Foto: AnneTanne (Creative Commons license)

Dit jaar bloeien de sneeuwklokjes wel erg vroeg! Een paar weken geleden ontdekte ik het eerste knopje, en nu staan er al verschillende in bloei.

Die vroege bloei heeft ook wel met de standplaats te maken: vlak tegen het huis, tegen een gevel op het zuiden. In de achtertuin, in de schaduwborder moeten er nog veel meer staan, maar daarvan is op dit moment zelfs nog geen groen sprietje te zien.

Eigenlijk zou ik de bloempjes die nu bloeien moeten plukken: In Bohemen immers geloofde men, dat als je de eerste sneeuwklokjes plukt en daarmee langs je ogen wrijft, je het hele jaar vrij zal zijn van oogkwalen.

Laat me vandaag wat meer vertellen over de medische toepassingen van het sneeuwklokje (al ga ik ook dit keer een mooie legende niet uit de weg).

Lees verder “De sneeuwklokjes bloeien nu echt!”

Kweepeergelei

(Zie hier voor recepten)

Kweepeergelei

Ja, nog een keer kweeperen… Ruim een maand geleden had ik het er al een keer over. En intussen raken de kelderrekken stilaan voller. Na de bessenconfituur in het begin van de zomer, is het nu de beurt aan de kweepeergelei en de membrillo. Dat is ook weer zo’n Portugese specialiteit: kweepeerpuree die met suiker wordt ingekookt tot het een massa die zo stijf is dat je er blokjes van kan snijden. De bereiding dankt zijn stijfheid niet aan koken op hoog vuur waardoor het geleerpunt bereikt wordt, maar door de massa zo lang in te koken dat ze door het ‘gebrek aan vocht’ stijf wordt. Je kan bijna spreken van geconfijte kweepeerpuree. Het wordt in Spanje en Portugal geserveerd met sterk smakende kazen, zoals Manchego, maar het is ook heel erg lekker met een blauwe kaas zoals Roquefort of Stilton.
Op de foto zie je de potjes gelei die ik dit weekend kookte en die nu nog staan af te koelen… De dieprode kleur, die zo contrasteert met het heldergeel van de rijpe kweepeer, is op de foto nog wat oranje uitgevallen… Maar hij is inderdaad zo mooi helder doorschijnend als op de foto.
(Het ondoorzichtige potje bovenop is Membrillo van een weekje geleden.)
Kweepeergelei wordt door veel mensen als een echte delicatesse beschouwd. Het zou het favoriete broodbeleg van wijlen koning Boudewijn geweest zijn, maar hoeveel waarheidsgehalte die bewering heeft? Een uitspraak daarover laat ik liever aan royalty-watchers over.
De bereiding op zich is niet moeilijk, maar vraagt tijd, veel tijd. Gisterenmiddag heb ik een kilo of drie kweeperen gewassen, in stukken gesneden en van hun klokhuizen ontdaan. Die deed ik vervolgens in een grote pan met dikke bodem, en daar ging zoveel water bij dat ze ruim onder stonden. Aan de kook brengen, en dan gedurende een uur of twee heel zachtjes tot moes laten koken. (En dan merk je al dat langzaamaan het kookvocht wat rozig gaat kleuren.)
In de loop van het koken duw ik de stukjes kweepeer plat met een houten lepel. Op het eind van de kooktijd heeft de brei de consistentie van erg vloeibare appelmoes. Die doe je dan in een kaasdoek, en laat je – zonder uitknijpen! – gedurende een uur of twaalf uitdruppen.
Voor 1 liter vocht reken je 750-800g suiker. Het sap aan de kook brengen, suiker toevoegen en laten oplossen, opnieuw aan de kook brengen en dan op hoog vuur laten doorkoken tot het geleerpunt bereikt is. Dat controleer je door regelmatig een druppel op een koud schoteltje te laten vallen. Als je daar na een klein minuutje tegen duwt, en het oppervlak rimpelt, ben je zover… Maar dan kan, afhankelijk van de hoeveelheid gelei, wel anderhalf tot twee uur duren, en je blijft bij voorkeur continu roeren (opdat de warmte gelijkmatig verdeelt raakt in die grote massa stroperig vocht). Intussen zie je de gelei langzaamaan steeds donkerder rood kleuren. En zo staan hier dus weer 8 potjes af te koelen… Over enkele dagen nog wat membrillo koken, en dan is de voorraad weer ruim voldoende voor een jaar. De mispels moeten immers ook nog komen!!!
(Onlangs vertelde iemand me, dat zij haar kweepeergelei gewoon met geleersuiker maakt, heel kort koken dus, en dat zij hem dan kleurt met frambozensap. Dat is ook een mogelijkheid natuurlijk, maar ik hou op dit vlak meer van ‘the real stuff’…)

Verse kweeperen zijn bedekt met een laagje dons. In de 17de eeuw (aldus Monty Don in zijn boek over Tuinieren) zou men dat donzig laagje van de vruchten afgeschraapt hebben en het, vermengd met honing, als een haargroeimiddel hebben gebruikt. Het sap werd gebruikt als remedie bij oedemen en astma, en uitwendig bij oogontsteking en huidzweren. Zoals ik vorige keer vertelde, wordt de kweepeerpittengel nog altijd gebruikt bij de behandeling van huidirritaties.
Op de site van Plants for a Future vond ik, dat de gel die je bekomt door de pitten in water, niet in alcohol dus, te weken, ook wel inwendig gebruikt wordt omwille van de verzachtende en slijmvliesherstellende eigenschappen bij luchtwegaandoeningen bij kinderen… Maar ik denk dat je dan wel erg veel pitten nodig hebt!
Diezelfde site schrijft volgende eigenschappen aan de vrucht toe: samentrekkend, eetluststimulerend en spijsverteringondersteunend, vochtafdrijvend, hoestbevorderend en slijmvliesherstellend, verkoelend, stimulerend, tonisch en herstelbevorderend, en het ondersteunt het hart. Verder noemt men de kweepeer ‘antivineus’, waarmee bedoelt wordt dat de plant een rol kan spelen in de ondersteunende therapie van alcoholverslaving. Deze term ben ik overigens op andere plaatsen nog nauwelijks tegengekomen.
De onrijpe vrucht en haar sap is erg wrang en samentrekkend, en een siroop van dat onrijpe sap wordt dan ook gebruikt voor de behandeling van diarree. Het is niet alleen door de aanwezigheid van samentrekkende tannines, maar ook door het hoge pectine gehalte dat het fruit bij diarree effectief is. Anderzijds maakt dat pectine (een oplosbare vezel) dat ook bij obstipatie een bruine boterham met een dikke laag kweepeerjam geen slechte keuze is…

Smakelijk!

Mariadistel – gebruik

Dit bericht is deel 3 van 3 in de reeks Mariadistel

Mariadistel als groente

mariadistel1Vroeger was de Mariadistel behalve een geneeskruid ook een moesplant, een groente. Dat kunnen we ons nu nauwelijks voorstellen, een plant met zulke taaie, prikkende blaren, dat die nog gegeten werd ook… Toch heb ik al van mensen gehoord, dat ze met een schaar de stekels van de bladeren knippen en die dan eten…
In ‘Het grote boek van de vergeten groenten‘ blijkt trouwens dat vrijwel de gehele plant kan gegeten worden:
– De bladeren kunnen jong rauw in salades worden gegeten (dan dus wel met die stekels weggeknipt veronderstel ik!)
– Oudere bladeren worden gestoofd als spinazie of kardoen.
– De bloemknoppen worden geoogst zoals artisjokken, en de bloembodems worden dan gegeten, die zouden een honingachtige smaak hebben.
– Je kan de wortels oogsten op het ogenblik dat de planten in bloei komen, en die verwerken in stoofschotels. De smaak zou lijken op die van schorseneren
– En tenslotte kan uit de zaden een fijne olie worden geperst, of ze kunnen worden vermalen en het meel kan aan brooddeeg worden toegevoegd.

Tja, ik zou het jammer vinden om de wortels te gebruiken, omdat je dan niet kan genieten van de bloei van de plant, en ook geen zaden krijgt, en de zaden, die zaai ik liever uit (ik heb trouwens nog nooit zo’n grote hoeveelheden geoogst dat ik die in een gerecht zou kunnen toepassen.)… Maar misschien dat ik toch eens een paar bladeren met andere bladgroenten ga meestoven…

Medicinaal gebruik van Mariadistel

Het medicinale gebruik van Mariadistel is volgens mij beter bekend dan die als groente. Medicinaal zijn het dus vooral de zaden die gebruikt worden. De zaden bevatten als belangrijke inhoudstoffen Silymarine (een verzamelnaam voor een mengsel van flavanol-afgeleiden), flavonoïden, wat bitterstoffen, etherische olie en Vitamine E.
Het is vooral dit silymarine dat verantwoordelijk is voor de belangrijkste eigenschap van de Mariadistel, namelijk haar beschermende en herstellende werking op de lever.

Het kruid kan met succes worden ingezet bij leverschade door verschillende toxische stoffen zoals alcohol.
In België zijn op dit ogenblik twee geneesmiddelen geregistreerd als hepatoprotectief, namelijk Legalon en Legalon-sil. Het eerste bevat als werkzame stof het silymarine, het andere bevat enkel silibinine (een van de afzonderlijke stoffen uit het silymarine-mengsel), en beiden zijn vervaardigd uit de zaden van de Mariadistel. (Enkel op doktersvoorschrift verkrijgbaar.)

Vaak wordt gezegd dat silymarine zelfs levercirrhose – een als onomkeerbaar beschouwde aandoening – kan herstellen. Dit laatste is dubieus, wanneer echt sprake is van cirrhose is mariadistel wel in staat de levensduur te verlengen, maar een werkelijk verdwijnen van de cirrhose is niet waarschijnlijk. In de voorstadia (alcoholische leversteatose – leververvetting) is herstel wel mogelijk, mits gepaard met absolute alcoholstop.
Maar ook – en wellicht is dit het best bekend – bij vergiftiging door de groene knolamaniet (een paddestoel die wel eens met een champignon wordt verwisseld, maar die dodelijk giftig is) is Mariadistel werkzaam. Het silymarine of silibinine wordt in die gevallen intraveneus toegediend, en uit gevalsstudies lijkt aannemelijk dat patiënten die met deze stoffen behandeld worden een grotere overlevingskans hebben.

Het hoeft geen verwondering te wekken dat de medicijnen die ik hierboven noemde, ontwikkeld zijn in Duitsland (een land met toch nog steeds een stevige fytotherapeutische traditie), en dat het gebruik ervan in de VS (waar de medische autoriteiten – nog- terughoudender staan tov kruiden dan in Europa) door de FDA niet is toegestaan. Toch lijkt ook daar de situatie wat te veranderen, en loopt er nu ginds een meerjaren studie naar het effect van (oraal) legalon bij de behandeling van hepatitis.
En recent kwam er een verhaal in het nieuws, over een familie uit Santa Cruz, Californië, waarvan zes leden vergiftigd raakte door het eten van in het wild geplukte paddenstoelen. Voor het eerst hebben artsen toen de toestemming gekregen om – met hoge spoed – Legalon in te voeren vanuit Duitsland. Het hele verhaal, op zijn Amerikaans geschreven en te lezen als een thriller, vind je in de lokale krant.

Fragaria vesca – bosaardbei



Fragaria vesca – bosaardbei
Originally uploaded by AnneTanne.

Jawel hoor… de eerste bosaardbeitjes in de tuin bloeien al (net zoals trouwens de eerste meidoornbloemetjes!).
Ik denk dat iedereen het met me eens durft zijn, dat die bosaardbeitjes toch eigenlijk veel meer smaak hebben dan hun reusachtige soortgenoten uit de supermarkt (vooral als die – allicht nog niet helemaal rijp – ergens ver weg geplukt zijn en hier zijn ingevoerd in een seizoen dat je helemaal geen aardbeien hoort te eten.)
Lees verder “Fragaria vesca – bosaardbei”

De kat in de kruidenborder…

Valeriaan - Valeriana officinalis
Valeriaan - Valeriana officinalis
Tijdens het mooie weer aan het begin van deze week heb ik een paar borders in de tuin behoorlijk onder handen genomen… En sinds die tijd zag ik onze kat – een langharige lapjeskat die officieel zou moeten luisteren naar de naam ‘Vlekje’, maar veel beter reageert op ‘Poes’, ‘Poezewoes’, ‘Poezemienemuis’ en ‘Poezemienemuizemeiske’ – zag ik onze kat dus al een paar keer verzaligd liggen kronkelen in die border, en haar rug liggen schurken aan…???
 
Inderdaad… je hebt het allicht al begrepen door het fotootje hierboven (dit keer niet van mezelf, maar van Pethan, een andere Flickr-user).
Door mijn exploten in de tuin was er een stukje valeriaanwortel bloot komen liggen, en – hoewel mensen die geur op zijn zachtst gezegd onaangenaam vinden – oefent die geur op veel katten een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. Die aantrekkingskracht wordt vooral veroorzaakt door de aanwezigheid van Actinidine, een stof die ook voorkomt in wild kattenkruid (Nepeta cataria) en Actinidia kolomikta, een verwant van de kiwi. (Tja, ik moet dat stukje over kattenkruid op mijn site inderdaad nodig herschrijven: het dateert van voor de laatste spellinghervorming, en ‘kattekruid’ was toen nog correct. Je weet wel: tot een jaar of anderhalf (?) geleden, gold de regel van de tussen-n niet voor plantennamen, waarvan het eerste deel een dierennaam was, en het tweede deel direct naar een plant verwees… en toen had je de gekke situatie dat je ‘kattekruid’ en ‘kattenstaart’ had.)

Maar het ging hier over katten en (valeriaan)geurtjes:
Onze vorige kat, Karamel, had rond één van mijn valeriaanplanten een sikkelvormig gat uitgegraven. Daar lag hij dan regelmatig: met een voorpoot in elk van de punten van de sikkel, en zijn neus in de grond gedrukt in het diepste punt van het kuiltje. ‘Karamel is weer aan het blowen’ zegde we dan…

Mijn kattenkruidplanten zijn tot nu toe met rust gelaten.
Ken je dat Engelse rijmpje:

Set it, they will get it,
Sow it, they won’t know it

 
De achtergrond daarvan zou zijn, dat wanneer je kattenkruidplantjes zaait, naderhand de actinidinegeur nauwelijks merkbaar is, en katten dus je planten links laten liggen. Maar als je wat grotere plantjes plant, dan zijn de wortels onvermijdelijk wat gekneusd, is de geur veel beter merkbaar, en komen de katten van heinde en ver je tuintje met een bezoek vereren…. Ik heb mijn kattenkruid weliswaar niet gezaaid, maar de eerste tijd na het planten zeer ‘cat-safe’ beveiligd.
Andere soorten Nepeta, zoals de Nepeta faassenii die je in veel tuinen vind, hebben niet de geur en de aantrekkingskracht van het wilde kruid. Dat is minder opvallend dan de cultuurvormen, maar is – in tegenstelling tot valeriaanwortel – wel erg aangenaam van geur.

Waarmee ik weer terug bij mijn uitgangspunt, valeriaan terugkom. Ik had het een paar dagen geleden al over de onaangename geur van Valeriaanwortel die het kruid voor gebruik in aftreksels weinig aantrekkelijk maakt… De bloemen daarentegen vind ik wel heel erg fijn ruiken… eigenlijk zou ik eens moeten nazoeken of die ook een medicinale waarde hebben…. Ik houd jullie op de hoogte!

Barbarakruid – Barbarea vulgaris

Barbarea vulgaris, Barbarakruid. Foto: AnneTanne, Creative Commons LicenseBarbarakruid is een plantje dat in deze tijd van het jaar meestal makkelijk te vinden is. Het is een – vooral op vochtige bodem – vrij algemeen voorkomend kruidje, maar omdat ik in de toch wat drogere Kempen woon, blijft zijn aanwezigheid in mijn tuin steeds tot een tiental plantjes beperkt. We kregen ons eerste plantje jaren geleden op onze trouwdag, van een vriend die in zijn Lusthof dit kruidje en talloze andere ongewone groenten teelt.

Lees verder “Barbarakruid – Barbarea vulgaris”

Gember – Zingiber officinale / inhoudstoffen en tinctureren

Onlangs kreeg ik de vraag: “Kunt u mij zeggen onder welke inhoudstoffen Gember valt en kan men hier best een tinctuur van maken?”

Gember wordt in China al duizenden jaren medicinaal gebruikt. Er bestaan documenten uit de vierde eeuw voor onze tijdrekening, waaruit blijkt dat het voor talrijke indicaties werd gebruikt: maagpijn, diarree, misselijkheid, cholera, bloedingen, reuma, tandpijn…
In het westen werd het eind 19de Eeuw gebruikt omwille van zijn eetlustopwekkende, zweetdrijvende, spijsverteringsbevorderende eigenschappen.
Momenteel zijn vooral de volgende indicaties voor Gember onderzocht: gebruik bij reisziekte, bij misselijkheid en braken (ook hyperemesis gravidarum – zwangerschapsbraken), en bij ziekte die met (niet infectieuze) ontstekingen gepaard gaan zoals bijvoorbeeld reumatoïde arthritis.

Voor die eigenschappen zijn een lange reeks actieve ingrediënten verantwoordelijk. Ginger constituents geeft een mooi overzicht van de verschillende indicaties van Gember, met telkens de verantwoordelijke inhoudstoffen voor die specifieke werking.
Gember bevat tot 50% zetmeel, 9% proteïne, 6-8 % lipiden (zowel triglyceriden, fosfatidylzuur, als vrije vetzuren), een protease. Voor de medicinale werking is wellicht vooral het hoge gehalte aan vluchtige oliën belangrijk (die fractie is weer in tientallen verschillende stoffen onder te verdelen, waarvan vooral de sesquiterpenen belangrijk zijn: bisaboleen, zigiberine, zingiberol), en daarnaast de aromatisch fenolen (niet-vluchtige geurige stoffen), waarvan de gingerolen de belangrijkste fractie vormen. In oudere (=langere tijd bewaarde) wortels wordt een deel van de gingerolen omgezet in shogaolen. De gingerolen zouden vooral ontspannende en verwarmende eigenschappen hebben, terwijl de shogaolen daarnaast ook nog ontstekingsremmend en weerstandsverhogend zouden zijn.

Wat het tweede deel van de vraag betreft, hierop blijft mijn antwoord summier: ik heb zelf geen ervaring met het maken van een tinctuur van gember. Dit is een kruid dat ik bij voorkeur ‘rechtstreeks’ gebruik als toevoeging aan de maaltijd of meegeraspt in een groentensap. Je vind een basisrecept voor een tinctuur in de Kruidenmand. Wanneer ik zou overwegen om een tinctuur te maken van Gember, zou ik wellicht in de recipiënt van mijn sapcentrifuge een hoeveelheid alcohol doen, en vervolgens de gember daarin raspen. De reden om het zo te doen, is het hoge gehalte aan etherische oliën. Wanneer je de wortel raspt, vervliegen de vluchtige stoffen snel. Daarom wil ik het geraspte kruid zo snel mogelijk in de alcohol onderdompelen, om zoveel mogelijk actieve stof te bewaren…
Een tinctuur is inderdaad een geschikte bereiding met gember, omdat zowel de etherische oliën als de niet-vluchtige werkzame stoffen goed oplosbaar zijn in alcohol.

’n Kruidige groet,

Tussilago farfara – Klein hoefblad

Sinds vorig jaar is het Klein Hoefblad ook in mijn tuin verschenen, maar het fotootje hiernaast maakte ik gisteren in de Zwitserse Alpes Vaudoises, op een hoogte van 1300m… Ja, op deze hoogte zou je eind februari nog een sneeuwtapijt mogen verwachten, maar dus niet deze winter.
Behalve Klein Hoefblad vond ik hier in bloei:
Madeliefje, Winterakoniet, stengelloze sleutelbloem, stinkend nieskruid, een ereprijsje (ik denk de veldereprijs, maar ik heb geen flora bij me en kan dus niks uitsleutelen… Ik kwam immers naar hier om te skieën, niet om met een pijnlijke knie de dagen in de onmiddelijke nabijheid van het hotel door te brengen….), een onbekende vlinderbloemige (intussen via Flickr heel snel geïdentificeerd als Polygala chamaebuxus (Buchsblättrige Kreuzblume / Faux-buis)), winterakoniet, een botanische krokus, veldkers, één of ander kruiskruid, madeliefje, paardenbloem, herderstasje…

Maar ik had het over het Klein Hoefblad… Toen ik nog studeerde had dat plantje een signaalfunctie voor mij: Wanneer langs de weg naar de campus het Klein Hoefblad in bloei kwam, werd het stilaan tijd om de voorbereiding van juni-examens wat ernstiger te gaan opvatten!

Tussilago farfara is afgeleid van het latijn ‘tussis’ (hoest) en ‘agere’ ((be)handelen), en waarschijnlijk ‘farina’ (meel) en ‘ferre’ dragen). De bladeren van deze plant (die pas verschijnen nadat de bloemen al zijn uitgebloeid) werden inderdaad in het verleden gebruikt als een hoestwerend middel, ze hebben desinfecterende en slijmoplossende eigenschappen. ‘Farfara’ zou slaan op de onderzijde van het blad, dat met meel bestoven lijkt. Ook de stengelschubben lijken wat bepoederd, als je naar deze foto kijkt (al is de stengel hier enigszins onscherp)

Tegenwoordig is Klein Hoefblad als medicinaal kruid volkomen in onbruik geraakt, en staat in België sinds 1992 op de lijst van de kruiden, verboden voor inwendig gebruik. Klein hoefblad bevat immers, net als bv Smeerwortel, pyrrolizidine-alkaloïeden. Deze stoffen worden opgeslagen in de lever, en kunnen bij regelmatig en langdurig gebruik ernstige gevolgen hebben.

Ik heb echter de indruk, dat het Klein Hoefblad een plantje is dat in het verleden weinig tot de verbeelding gesproken heeft. Ik vind immers weinig folkloristische verwijzingen naar het kruid,
maar wel naar gebruik als geneeskruid:
Bij Mien Verdingh (KrisKrasKruid) lees ik dat in het oude Griekenland astmapatiënten bladeren van het kruid te roken kregen, en dat het sap met melk en honing gedronken werd bij longontsteking. (Zij vermeldt echter geen concrete bron.)
Plinius raadde aan de bladeren van Klein Hoefblad te roken (op een vuurtje van cipreshout?), en de rook door een trechter in te ademen als middel tegen hoest. Ook door Dioscorides (een Grieks kruidkundige, in dienst van keizer Nero) wordt het als hoestbedarend middel beschreven.

Opnieuw bij Mien Verdingh vind ik terug dat het gebruik van Klein Hoefblad als (medicinaal) rookkruid op een bepaald ogenblik in Frankrijk dermate populair was, dat het als herkenningsteken voor apotheken werd gebruikt. Voorlopig heeft mijn zoektocht op Franstalige internet-sites hiervoor geen bevestiging opgeleverd.
Die zoektocht leverde wel een reeks Franstalige volksnamen op:
Pas d’âne, herbe de Saint-Quirin, taconnet, chou de vigne, herbe aux pattes, pas de cheval, pied de cheval, racine de peste, filius ante patrem
((De laatste uit deze reeks – een latijnse benaming die je op meer plaatsen terugvindt, betekent letterlijk: ‘de zoon voor de vader’, en slaat terug op het feit dat de bloemen eerder boven de grond staan dan het blad).

Tot volgende week!