
Na een weekend heb ik gewoonlijk een iets beter idee van wat er zoal bloeit in de tuin, en dat ziet er nu dus al iets rooskleuriger uit.
Vorige week was het de aller-, allereerste keer sinds ik mijn bloeilijstje bijhoud, dat ik geen witte dovenetel in bloei vond. Intussen weet ik wel beter: jawel hoor, op ’t veld staat toch nog één dapper exemplaar met één bloemetje te bloeien.
Ook het madeliefje was tot nu toe altijd van de partij, maar daar kan ik alleen maar een dichtgesloten knopje van ontdekken, dat heeft nog even wat zon nodig.
Wat me wel verraste, was dat ene akkerviooltje dat ik nog in bloei vond. Ik geef het toe, een schoonheidsprijs verdiend dat meiske niet meer, maar hoe zou je zelf zijn, als je twee weken vorst en sneeuw overleefd had. En, als ik heel eerlijk ben… heeft ze niet iets wonderlijk ontroerends, net door haar geschonden schoonheid? (In betere dagen ziet ze er zó uit.)


Wie van ons heeft vroeger niet ooit één voor één de blaadjes van een madeliefje afgetrokken, al tellend: ‘Hij ziet me graag, hij ziet me niet graag, hij ziet me een beetje graag’. Of ‘Edelman, bedelman, dokter, pastoor, keizer Karel, voddenman, majoor’… En ook in legendes en folkloristische overleveringen vind je het madeliefje vaak als voorspellend kruid terug.
Een paar dagen geleden las ik al een enthousiaste uitroep op
Je kan er niet omheen… ondanks het feit dat de kalender nog steeds ‘winter’ zegt, komt de natuur langzaamaan tot leven.