
Na de invloed van de Romeinen en de kloosters, zal ik het later deze week nog hebben over wat Karel de Grote betekent heeft voor de ontwikkeling van de cultuur van de boerentuinen in West-Europa. Dat stukje zal meteen de aanleiding zijn om uitgebreider in te gaan op de Middeleeuwse kruidentuin.
Maar de kloosters brachten ook een aantal sierplanten vanuit het zuiden naar de noordelijker delen van Europa.
Genezende sierplanten
De eerste sierplanten die werden aangeplant in kloostertuinen, waren de roos en de madonnalelie, en waren bedoeld om de altaren mee te versieren.
Het zijn beiden ook planten met een zeer sterke symboliek.
De Madonnalelie
In de taal van de bloemen staat de lelie niet alleen voor zuiverheid, maar tegelijk ook voor een trotse onaanraakbaarheid, ietwat star, en afwijzend ten opzichte van alle frivoliteit. De bloem werd toegepast in allerhande geneeskrachtige recepten. Brandwonden, jicht, vrouwenziekten, moeilijke geboortes, krampen, leveraandoeningen en allerhande pijntjes werden behandeld met leliewater en lelie-olie.
De roos
Wat de roos betreft waren het aanvankelijk vooral de (inheemse) hondsroos – Rosa canina – en de Provençaalse roos – Rosa centifolia – die je in de kloostertuinen terugvond.
De roos symboliseert bevalligheid, schoonheid en liefde, het vrouwelijke, en ze werd in de middeleeuwen niet alleen omwille van haar schoonheid, maar nog meer dan tegenwoordig om haar geur gewaardeerd. In ruim een derde van de kruidenrecepten uit de middeleeuwse kloosterapotheken werden rozenblaadjes of rozenwater verwerkt.
De oudste West-Europese aromatherapie
Geuren en geurtjes, welriekend of niet, speelden in de middeleeuwen trouwens een grotere rol dan tegenwoordig. Men beschouwde het als wetenschappelijk bewezen dat ziektes door slechte en vergiftigde lucht veroorzaakt werden. (Dat vinden we tegenwoordig nog terug in ‘Malaria’, mal-aria, dat letterlijk ‘slechte lucht’ betekent, en verwijst naar de geur (‘mooslucht’ in het dialect van mijn streek van herkomst) die hangt rond moerassen, plaatsen waar de Anopheles-mug die malaria overdraagt goed gedijt.)
Het was dan ook logisch dat men ging trachten om ziektes met aangename geuren te behandelen. Er was nog geen sprake van aromatherapie in de huidige zin van het woord, maar toch kunnen we dit als de west-Europese wortel van deze therapievorm beschouwen.
In de middeleeuwse klooster- en boerentuinen werden talrijke aromatische kruiden aangeplant. Die werden vaak als rookkruiden toegepast om te verbranden in ‘pesthuizen’, en later ook op straat in de stad in de hoop dat men hiermee het miasma, de verontreinigde pestlucht, kon verdrijven.
Na een korte inleiding in mijn volgend artikel over de Capitulare de Vilis van Karel de Grote, ga ik daarna wat meer in detail in op het assortiment aan (geur)kruiden in de middeleeuwse klooster- en boerentuinen.
De foto van de Madonnalelie is van Maciek Godlewski, en valt onder een Creative Commons License.
De gevuldbloemige rosen in mijn tuin vind ik ook mooi, en ook de geur is natuurlijk een punt, maar net zoals ik al schreef over de bescheiden charme van veel wilde planten een paar dagen geleden, houd ik van de teerheid van de eenvoudige vijf blaadjes van de hondsroos, rond de krans van meeldraden. Ze bloeit maar kort, en al zijn haar afzonderlijke bloemen groter dan die van de gele liaanroos op de foto, ze vallen iets minder op, omdat ze niet in groepjes bij elkaar staan, en daardoor niet hetzelfde waterval-effect veroorzaken… Maar de bijen zoemen veel enthousiaster rond de hondsroos, en in de late winter zijn de vogels blij met de taaie bottels…
Een paar honderd meter hiervandaan, in de berm van het jaagpad langs het kanaal Dessel-Kwaadmechelen, is een haag met vooral inheemse struiken aangeplant, en daar bloeit een volgens mij identiek roosje. Allicht dus een zaadje dat door een vogel daar opgesnoept en bij mij uitgepoept is… Ik kan met dit ‘onkruidje’ alleen maar blij zijn: wanneer ik op een juni-ochtend met zoonlief naar school fietste langs het kanaal, dronk ik altijd met volle teugen die zachte rozengeur in, en nam me telkens opnieuw voor, eens op zoek te gaan naar een zaailing… en die heb ik tenslotte dus gevonden: hij zocht zelf een plekje in mijn tuin uit!
En als er al nectar voorhanden is, dan raken bijen en hommels in zo’n dikke pompon veel moeilijker bij de bron.