Eergisteren ontdekte ik dat het Groot hoefblad ook al begint boven te komen. (Trouwens: bij Muggenbeet in de tuin komt het Japans hoefblad al piepen.)
De plant staat hier in de tuin in mijn ‘woekerborder’ , een hoekje van de tuin waar alleen maar planten staan die zich behoorlijk krachtig durven uitbreiden. Hij heeft daar gezelschap van pluimpapaver, donkere ooievaarsbek en een soort walstro dat ik eens vond bij kwekerij de Gieteling (maar die hebben het nu niet meer in hun assortiment, dus de exacte naam moet ik jullie schuldig blijven). Die planten hebben het daar bij elkaar bijzonder goed naar hun zin, en slagen er niet in elkaar weg te concurreren (de donkere ooievaarsbek heeft daar trouwens zonder enige hulp van mijnentwege een plekje veroverd.)
Ik heb me lange tijd afgevraagd waar de soortnaam ‘hybridus’ vandaan komt. (Naar analogie van die wetenschappelijke benaming heet de plant trouwens in sommige streken ‘Bastaardhoefblad’). Lees verder “Petasites hybridus – Groot hoefblad”

Gewoonlijk zijn de sneeuwklokjes in mijn tuin best laat.
Ik kan me voorstellen dat mijn voorgaande stukjes over reizigers en cosmopolieten de indruk hebben gegeven dat al die zwervers aan het eind van het verhaal niet meer zijn dan lastige rakkers.
Misschien vroeg je je in oktober al af of ik een bedoeling had met dat goudsbloem-fotootje in de zijbalk. En als je goed hebt opgelet, heb je misschien gemerkt dat die foto maandag veranderd is, en dat het onderschrift ‘goudsbloem in november’ (ipv oktober) is geworden.
De gevuldbloemige rosen in mijn tuin vind ik ook mooi, en ook de geur is natuurlijk een punt, maar net zoals ik al schreef over de bescheiden charme van veel wilde planten een paar dagen geleden, houd ik van de teerheid van de eenvoudige vijf blaadjes van de hondsroos, rond de krans van meeldraden. Ze bloeit maar kort, en al zijn haar afzonderlijke bloemen groter dan die van de gele liaanroos op de foto, ze vallen iets minder op, omdat ze niet in groepjes bij elkaar staan, en daardoor niet hetzelfde waterval-effect veroorzaken… Maar de bijen zoemen veel enthousiaster rond de hondsroos, en in de late winter zijn de vogels blij met de taaie bottels…
Een paar honderd meter hiervandaan, in de berm van het jaagpad langs het kanaal Dessel-Kwaadmechelen, is een haag met vooral inheemse struiken aangeplant, en daar bloeit een volgens mij identiek roosje. Allicht dus een zaadje dat door een vogel daar opgesnoept en bij mij uitgepoept is… Ik kan met dit ‘onkruidje’ alleen maar blij zijn: wanneer ik op een juni-ochtend met zoonlief naar school fietste langs het kanaal, dronk ik altijd met volle teugen die zachte rozengeur in, en nam me telkens opnieuw voor, eens op zoek te gaan naar een zaailing… en die heb ik tenslotte dus gevonden: hij zocht zelf een plekje in mijn tuin uit!
En als er al nectar voorhanden is, dan raken bijen en hommels in zo’n dikke pompon veel moeilijker bij de bron.